Strand en Duinen

Kenmerken Duinen

(met dank aan Patrick Wijker)

De kuststrook van het Zwin in Zeeland tot aan Rottumeroog is een vrijwel aaneengesloten, langgerekt, 300 km lang duingebied. De kustduinen kenmerken zich door de aanwezigheid van veel reliëf, een zandige bodem en een sterk door de zee beïnvloed klimaat. Van de kust naar het binnenland is er een gradiënt in zout, kalkgehalte en ouderdom van de bodem. Die gradiënt uit zich in een karakteristieke opeenvolging van biotopen: strand, zeereep, open-duinvalleien, struweelduinen en binnenduinrandbossen. Hoe meer landinwaarts, hoe meer de duinen als gevolg van natuurlijke successie zijn begroeid met struiken, zoals duindoorn en meidoorn. Verder bevatten de duinen meren en plassen, moerassen, droge en natte duingraslanden en heiden.
Als gevolg van de grote variatie in bodem en biotopen hebben de duinen een grote soortenrijkdom aan planten en dieren. Van de Nederlandse flora komt 65% van de soorten in de duinen voor en is 9% vrijwel uitsluitend of geheel aan de duinen gebonden.

Gebruik van duinen vroeger en nu

De duinen behoren tot de meest natuurlijke (oorspronkelijke) delen van Nederland. Toch is ook hier de invloed van de mens in verleden en heden groot. In het verleden ging het om de konijnenjacht, de beweiding met schapen, geiten en koeien, de teelt van aardappels en rogge en de aanplant van naaldbossen. Tegenwoordig is vooral de waterwinning en de recreatie belangrijk.

Oppervlakte duinen

Een deel van het duinareaal is in de loop der tijd verdwenen door zandwinning, bollenvelden, woningbouw, wegen en industrievestiging. De laatste jaren is de grootte van het duinareaal constant. De biotoopsamenstelling van de duinen is sterk door menselijk gebruik beïnvloed.

Dynamiek van kust en duinen

Het kustgebied heeft van nature veel dynamiek, zoals stuivende duinen en af en toe doorbraken van de zee. De mens heeft in het verleden deze dynamiek aan banden gelegd, met name door helmaanplant om de zeewering in stand te houden en de overstuiving van het achterland tegen te gaan. Tegenwoordig probeert men de dynamiek weer te bevorderen door de verstuiving toe te laten. Bij Schoorl heeft men zelfs het binnendringen van zeewater in de duinen weer mogelijk gemaakt.

Foto: Gert Jan Dekker

Waterwinning

Tot rond 1900 waren er grote vochtige gebieden in de duinen aanwezig. Op veel plaatsen zijn deze in de eerste helft van de twintigste eeuw verdwenen, vooral als gevolg van de grondwaterwinning voor drinkwater. Deze verdroging zorgde voor de achteruitgang van vochtige duinvalleivegetaties en bijbehorende dagvlinders.

De duinwaterwinning stapte later over op de infiltratie met rivierwater. Dat heeft geleid tot meer open water in de duinen en de opkomst van rietvegetaties en rietvogels. Maar het voedselrijke rivierwater leidde ook tot verruiging van de nattere delen van de duinen, waardoor soorten als harig wilgenroosje en brandnetel opkwamen en bijzondere plantensoorten als parnassia weinig kans hadden. Deze toevoer van voedingsstoffen is vanaf de jaren tachtig aangepakt door het rivierwater te zuiveren voordat het in de duinen wordt gepompt.

Door natuurherstelprojecten neemt momenteel de oppervlakte van vochtige duinvalleivegetatie weer iets toe. Een voorbeeld daarvan is het Mokslootgebied op Texel.

Rietvogels in de duinen zijn toegenomen door de toename van riet.

Rietvogels en vernatting duinen

Rietvogels in de duinen zijn toegenomen door de toename van riet.

Ontwikkeling

Door de infiltratie met rivierwater ten behoeve van de waterwinning is er meer open water in de duinen aanwezig dan rond 1950, en wel in de vorm van infiltratiekanalen en kleine en grote plassen. Doordat daarin riet groeit zijn de rietvogels kleine karekiet en rietzanger sterk in aantal toegenomen. Sinds 1990 neemt de rietzanger licht in aantal toe; de kleine karekiet blijft min of meer stabiel. De rietzanger staat op de Rode Lijst van vogels, maar gaat in de laatste jaren weer vooruit.

broedvogels in open duinen en struweel

Duinvogels: vergrassing en verstruiking

De vergrassing en verstruiking van de duinen is gunstig voor struweelvogels, maar ongunstig voor vogels van het open duin.

Ontwikkeling

Broedvogels van de open duinen, met name tapuit, wulp, veldleeuwerik, tureluur en grutto, zijn vergeleken met 1950 met een zeer laag aantal broedparen aanwezig (zie de linker grafiek). Deze achteruitgang gaat sinds 1990 nog steeds door. De achteruitgang is een gevolg van toenemende verstruiking en vergrassing van de duinen, waardoor geschikte broedplaatsen verdwijnen. De achteruitgang van de tapuit hangt ook samen met de afname van het aantal konijnenholen. Door de verstruiking zijn er tegenwoordig meer struweelbroedvogels in de duinen dan in 1950, zoals grasmus en nachtegaal (zie de rechter grafiek). Hun aantal neemt nog steeds toe. Het duinbeheer is erop gericht de duinen open te houden en de vergrassing terug te dringen. Naast maaien wordt daartoe begrazen als beheersmaatregel toegepast. Begrazing lijkt het struweel echter niet afdoende terug te dringen.

Nachtegaal en tapuit: verstruiking duinen

In de kalkrijke duinen treedt sterkere verstruiking op dan in de kalkarme duinen. Het aantal tapuiten neemt sterker af in de duinen met sterke verstruiking. De nachtegaal profiteert van de sterke verstruiking in de kalkrijke duinen.

Ontwikkeling 

In de kalkrijke duinen (ten zuiden van Bergen) leidt de natuurlijke successie tot struweelvorming en uiteindelijk bosvorming. Deze successie werd vroeger verhinderd door het verzamelen van hout en door begrazing. In de kalkrijke duingebieden treedt de successie inmiddels versneld op. In kalkarme duingebieden ontstaat van nature minder snel struweel, en wordt het struweel ook minder dicht.
Het aantal tapuiten gaat in vrijwel alle duingebieden achteruit, maar veel sterker in de kalkrijke gebieden in Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland. De belangrijkste oorzaak is verstruiking en vergrassing van de duinen. De tapuit staat op de Rode Lijst van vogels. De nachtegaal daarentegen profiteert van de toegenomen verstruiking en verruiging. In de kalkarme duinen met weinig verstruiking blijft het aantal nachtegalen min of meer stabiel, terwijl in de sterk verstruikte kalkrijke duinen een toename waargenomen wordt.

vleermuizen in winterverblijven

Vleermuizen in overwinteringsplaatsen

Lange tijd zijn vleermuizen in aantal achteruitgegaan, maar in de laatste jaren neemt een aantal soorten weer toe.

Ontwikkeling tot 1990

Halverwege de vorige eeuw zijn in Nederland veel vleermuizen achteruitgegaan en enkele soorten zijn zelfs verdwenen uit Nederland. Oorzaken zijn onder meer de verstoring van overwinteringsplaatsen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw en houtverduurzamingsmiddelen op kerkzolders. Ook de vermindering van het aantal houtwallen en andere veranderingen in het agrarische landschap worden vaak als oorzaken genoemd van de achteruitgang.

Ontwikkeling na 1990 

Alle soorten vleermuizen zijn sinds 1988 opgenomen in een soortbeschermingsplan. Er zijn diverse maatregelen genomen om vleermuizen te beschermen, waaronder het opknappen en beschermen van winterverblijven. Schadelijke houtverduurzamingsmiddelen zijn tegenwoordig verboden. Al zijn niet alle aanbevelingen uit het soortbeschermingsplan uitgevoerd (Hollander, 1998), de achteruitgang van een aantal vleermuizen lijkt inmiddels tot staan gebracht. De gemiddeld index gaat vooruit en alle onderzochte afzonderlijke soorten gaan vooruit, waaronder de franjestaart (zie de grafiek). Brandt’s vleermuis, franjestaart, ingekorven vleermuis en vale vleermuis staan op de Rode Lijst van zoogdieren.

Het KonijnDuinkonijn

Het Europees of wild konijn (Oryctolagus cuniculus) hoort “net als het haas” tot de familie der Leporidae of haasachtigen. Het konijn is veel kleiner dan het haas en heeft kortere oren, zonder zwarte vlek aan de punt. De oren reiken naar voren gevouwen niet buiten de kop, zoals bij het haas. ook de poten zijn veel korter; het konijn is een sprinter. De vacht heeft een andere structuur dan die van het haas en ook het tussenwandbeen van de schedel vergroeit niet. De lichaamslengte is 35 tot 45 centimeter, met een gewicht van twee kilo. Kruisingen tussen haas en konijn zijn onmogelijk omdat liet aantal chromosomen van de dieren verschilt. Een haas heeft er 48, een konijn 44.
Biotoop: Konijnen leven heel anders dan hazen, het zijn uitgesproken sociale dieren. Ze wonen in zelf gegraven, veelvuldig vertakte bouwen, met meerdere uitgangen. om die reden hebben ze een voorkeur voor lichte grond, zoals zandgrond. Ze graven hun bouwen het liefst in licht heuvelachtig land, met struikgewas en kleine bosjes. Deze bieden de noodzakelijke voeding en bescherming. Ook jonge, droge dennenaanplant wordt graag bewoond. Zware, natte grond of los zand worden zoveel mogelijk gemeden. Toch vindt men de soort, dankzij het enorme aanpassingsvermogen, op de meest onmogelijke plaatsen.

Bij het graven van de gangen wordt geen systeem gevolgd; er zijn veel blind eindigende zijgangen. De woonketels zijn 30 tot 60 cm hoog, de gangen hebben meestal een diameter van ongeveer vijftien cm. De bouw ligt tot drie meter diep, de totaallengte der gangen kan ruim 40 meter zijn. Bij de hoofdingang bevindt zich een hoop grond. Er zijn tal van vluchtgaten – bij een kolonie van 407 konijnen vond men er 2080 – met een loodrechte pijp om bij nood naar buiten te “springen”. Konijnen zijn zeer sterk aan de bouw gebonden; buiten een afstand van enkele honderden meters kunnen ze hem niet meer terugvinden. Het territorium, met vaste wissels, wordt gemarkeerd met uitwerpselen.

Binnen de bouw bestaat een strenge rangorde. Oudere voedsters tonen zich zeer agressief tegenover jongere. De oude rammen heersen over bepaalde delen van het territorium. Jonge rammen proberen daarom nieuwe bouwen te vestigen en jonge voedsters werpen hun jongen in speciaal gegraven ketels, wentels geheten. Dominante voedsters brengen hun jongen in de hoofdbouw ter wereld.
Voortbeweging: Bij normaal voortbewegen “huppelt” het konijn. Op de vlucht kunnen snelheden tot 40 kilometer per uur worden bereikt. Bij gevaar wordt altijd de bouw opgezocht. Soortgenoten waarschuwen elkaar door niet de achterpoten op de grond te roffelen.

Voedselkonijnen

Vijf tot zeven konijnen gebruiken evenveel voedsel als een schaap. Ze zijn hierbij vrij kieskeurig, met een voorkeur voor jonge planten en bloeiwijzen met veel eiwit. Naast grassen zijn klaver, granen, struikheide en zegge zeer geliefd. Bittere en zure kruiden worden gemeden, evenals gewassen met veel hars, een sterke geur, veel (brand) haren of stekels. Van de houtige gewassen wordt de vlier gespaard voor konijnenvraat. Bij normale aantallen zorgen konijnen ervoor dat gewassen in de groeifase blijven. Op deze wijze wordt het dichtgroeien van natuurgebieden voorkomen. Ook bij konijnen komt dubbelvertering of caecotrofie voor (zie bij het haas).

Voortplanting

Konijnen kunnen zich enorm snel voortplanten: de jongen kunnen in hun geboortejaar al weer jongen krijgen. Daardoor kan het aantal dermate toenemen dat grote schade wordt aangericht.
De voortplantingstijd loopt van januari tot eind juni. In maart tot en met mei zijn bijna alle volwassen moeren drachtig. De eisprong vindt ongeveer twaalf uur na de paring plaats. De draagtijd is 28 31 dagen. De jongen worden blind geboren en wegen slechts 50 – 60 gram. Op 130 moeren worden ongeveer 100 rammen geboren. In ongeveer drie weken komen ze op een gewicht van 150 gram en eten ze zelfstandig groenvoer. De moer wordt binnen twaalf uur na het werpen weer gedekt. In ongeveer 60% van de zwangerschappen worden, onder invloed van voedselsituatie en populatiedichtheid, de embryo’s weer door het moederlichaam geresorbeerd (= in lichaamsvocht opgenomen). Dit begint twaalf dagen na de bevruchting en verloopt binnen twee dagen. Ook hierna wordt de moer onmiddellijk weer gedekt. De worpgrootte varieert van één tot negen stuks.

Konijn in Amsterdamse waterleidingduinen

Konijn: verstruiking en vergrassing duinen

Konijnen zijn sterk achteruitgegaan in de duinen, hetgeen de verstruiking en vergrassing versterkt heeft.

Ontwikkeling

Door de konijnenziekte myxomatose zijn na 1954 konijnen sterk achteruitgegaan in de duinen. Na 1995 neemt het aantal konijnen nog verder af, onder meer in de Amsterdamse Waterleidingduinen. De vermoedelijke oorzaak van deze recente afname is een andere konijnenziekte: het Viraal Haemorrhagisch Syndroom (VHS). Er is géén duidelijke samenhang tussen de afname van konijnen en de opkomst van de vos in de duinen.

De huidige stand van konijnen in de duinen is nog maar enkele procenten van de situatie rond 1950. Voorheen hielden konijnen de begroeiing in de duinen kort, maar inmiddels is de stand zo laag dat er slechts lokaal nog enige invloed is op de vegetatie. De achteruitgang van het konijn versterkt de vergrassing en verstruiking van de duinen. Als vergrassing en verstruiking eenmaal op gang komen, kunnen konijnen deze nauwelijks meer terugdringen.

Het aantal nakomelingen per individu wordt meestal op meer dan 30 geschat. Bij onderzoek werd echter een gemiddelde van tien – twaalf gevonden. De populatiedichtheid kan oplopen tot 100 konijnen per hectare.

Deze wildsoort zal afhankelijk van de stand en van schademeldingen meer of minder worden bejaagd. Laatste jaren is er een flinke achteruitgang plaatsgevonden door een nieuwe konijnenziekte VHS (Viraal Haemorhagisch Syndroom) in combinatie met evt. de myxomatose ziekte worden plaatselijk de gehele konijnenstand bijna geheel gereduceerd.

VHS (Viraal Haemorhagisch Syndroom) “snel en dodelijk”

Een fatale en besmettelijke konijnenziekte die in 1984 werd waargenomen. Dit virus verspreidt zich snel via mest en door contact met besmette dieren. Na infectie verdwijnt de eetlust gepaard met hoge koorts. Binnen 24 uur gevolgd door benauwdheid en zenuwstoornissen (stuiptrekkingen) en soms schreeuwen of tandenknarsen. Door vocht in de longen sterven de dieren door verstikking. Vaak ziet men in het laatste stadium een schuimige en bloederige neusuitvloeiing. Vaccinatie is de enige afdoende bescherming

Symptomen

Het virus tast hoofdzakelijk longen en lever aan. De longen hebben sterk opvallende bloedingen, waardoor bij sommige dieren roodschuimachtige vlokken aan de neus waarneembaar zijn. De lever is vergroot, hard en soms knobbelig donkerbruin gekleurd.

Een epidemie kan op verschillende manieren plaatsvinden. De konijnen sterven plotseling, de epidemie duurt vrij kort (een maand) en men vindt veel kadavers. De besmette konijnen vertonen soms bloedingen aan de neus of anus voordat ze sterven. De dood is bij deze per-acute vorm zo plotseling dat het dode dier in nog zittende houding worden aangetroffen.Dit is in Spanje aangetroffen en beschreven, “zo zie je ze nog vreten en zo vallen ze dood neer”.In Frankrijk vond de sterfte geleidelijk plaats( acht maanden), terwijl er weinig kadavers werden gevonden, dit wijst erop dat de meesten in de bouw zijn gestorven.Dit beeld komt ook het meeste in Nederland voor.Er bestaat ook nog een subacute vorm, die zich kenmerkt door depressie, koorts en gebrek aan eetlust. Dit duurt meestal twee tot drie dagen waarna het merendeel van de dieren de ziekte overleeft en herstelt, helaas wordt deze vorm weinig waargenomen. Mogelijk speelt het bekende myxomatose virus ook nog een rol in het optreden van VHS Het zou het optreden van VHS kunnen versterken. Franse onderzoekers vermoeden dat de immuniteit onderdrukkende eigenschappen van myxomatose aan de basis staan van het verloren gaan van de verworven immuniteit tegen VHS. Jonge konijnen zijn de eerste acht weken immuun voor VHS, maar na deze acht weken zijn even gevoelig voor het virus als volwassen dieren.

De verspreiding van deze ziekte gebeurt vaak door muggen en konijnvlooien en is dus derhalve vaak seizoensgebonden, maar ook door vos of roofvogel d.m.v., daar het alleen konijnen aantast en niet de andere dieren bijvoorbeeld hazen zijn er ongevoelig voor.

De vos

De vos komt niet voor op de Nederlandse Waddeneilanden, maar wel op Sylt, in de duinstrook van Noord- en Zuid-Holland, op enkele Zeeuwse eilanden en langs de waddenkust. Het voedsel van vossen bestaat uit knaagdieren, insecteneters, haasachtigen, vogels, regenwormen, kevers, eieren, aas en afval. Ook bessen en fruit worden wel door vossen gegeten. Bij voedselovervloed wordt een deel van de buit begraven of verstopt.

De vos leeft in bossen, heide, duinen, parklandschap, polders en landbouwgebieden. Als er maar voedsel en voldoende dekking te vinden is en een hol gegraven kan worden. Het vossenhol wordt alleen gebruikt voor het werpen en grootbrengen van de jongen, bij onraad (jacht) en bij slecht weer.

Normaal slaapt een vos onder de dekking van struiken in de openlucht, bijvoorbeeld in begroeide greppels. Vossen leven vooral ‘s avonds en ‘s nachts. Ze hebben weinig natuurlijke vijanden. Belangrijke doodsoorzaken zijn de jacht, honden, vergiftiging en het verkeer.

De jacht op vossen is overigens per eind 2000, toen de nieuwe Flora- en Faunawet in werking trad, verboden in Nederland. Vossen zijn hier dan wettelijk beschermd. In het jachtseizoen 1997-1998 werden alleen in Nederland 14.000 vossen geschoten. De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging verwacht dat het jachtverbod funest zal zijn voor de weidevogelstand in Nederland. De Vogelbescherming denkt dat dit wel zal meevallen; hoogstens zullen broedkolonies zich verplaatsen naar voor vossen moeilijk bereikbare plekken. Dit is eerder ook het geval geweest met lepelaar kolonies die verjaagd waren door de vos. Volgens de Dierenbescherming is het ook mogelijk om de eieren van de weidevogels te behandelen met een stofje waar de vos misselijk van wordt, waardoor deze al snel op ander voedsel over zal stappen.

Pas sinds 1968 is de vos weer een duinstreekbewoner. In de Middeleeuwen werd hij daar uitgeroeid omdat hij een bedreiging vormde voor de toen opkomende konijnenteelt. Vierhonderd jaar lang is de vos niet in staat geweest een populatie in de duinen op te bouwen. Toen de vos weer ten tonele verscheen kon hij zich snel uitbreiden, omdat zijn prooien niet meer aan hem gewend waren. Toch heeft de vos in vergelijking met bijvoorbeeld verruiging van de duinen een kleine invloed op het broedsucces van vogels.

Anno 2000 leven er zoveel vossen in de duinen, dat steeds meer jonge vossen hun toevlucht zoeken in stadsparken en bij spoordijken. Deze “stadsvossen” eten naast ongedierte, zoals ratten en (woel)muizen ook uit de vuilnisbakken. Soms wordt een kippen- of konijnenhok bezocht.

Het ontbreken van de vos op de Nederlandse Waddeneilanden is de sleutel tot het succes van de kolonies lepelaars aldaar. Op het vasteland (bijvoorbeeld in het Zwanenwater en het Naardermeer) verdreef de vos de broedkolonies. In het Zwanenwater keerden de vogels weer terug nadat een vos werend elektrisch hek was geplaatst, de kolonie van het Naardermeer vond nieuwe broedplaatsen op de Waddeneilanden en in Flevoland.

De vos heeft een lichaamslengte van 56 tot 78 cm en een staartlengte van 34 tot 49 cm. Het gewicht van een vos is 3,5 tot 10 kg. De vachtkleur van een vos is op de rug geel- tot roodbruin, op de onderzijde grijs tot bijna wit. De oren zijn aan de achterkant zwart, de staart heeft meestal een witte punt.

Vossenonderzoek in Meijendelvos

In 1997 is een onderzoek gestart naar de vossen in het Zuid-Hollandse duingebied Meijendel. Men wil graag weten hoeveel vossen er in het gebied leven, hoe groot de territoria zijn en waar de vossen in dit gebied vooral van leven.

In 1997 zijn veertien volwassen vossen gevangen en voorzien van een zendertje, zodat men hun gedragingen kon volgen. Het bleek dat tien van deze dieren territoriaal (in een vast woon- en jachtgebied) leefden, en dat de territoria gemiddeld 70 tot 80 hectare groot zijn. Zo’n territorium wordt bewaakt en bewoond door één paartje vossen (een moer en een rekel), en nu en dan wordt er ook nog een vaste gast toegelaten (meestal een jong vrouwtje).

De andere vier vossen leidden in 1997 een zwervend bestaan. Deze zwervers zijn nog op zoek naar een territorium. Vaak moeten ze dat van andere vossen veroveren, of trekken ze naar elders in de hoop op een gebied waar zich nog geen vossen hebben gevestigd.

Een aantal van de vossen uit Meijendel stierf in 1997. In Meijendel zelf wordt niet op vossen gejaagd, maar drie dieren werden afgeschoten in naburige duingebieden. Twee vossen sneuvelden als verkeersslachtoffer. In Meijendel zelf stierven enkele vossen als gevolg van ouderdom of ziekte, en één jonge vos werd waarschijnlijk doodgetrapt door een Galloway-koe.

Bij de burchten gaat men regelmatig na of er jonge vossen zijn geworpen, en wat de samenstelling van de worp is. Gemiddeld komt men uit op één worp per territorium per jaar. Een worp bestaat in Meijendel gemiddeld uit 3,75 jongen. Dat is laag, vergeleken met gegevens van elders. De mannelijke jongen lijken een grotere overlevingskans te hebben dan de vrouwelijke.

Namen:
Nederlands: vos
Latijn: Vulpes vulpes

vos in sneeuw